Evalueren

Observeren en evalueren in de kleuterschool

In de kleuterschool streven we naar een rijk klasmilieu en een rijk activiteitenaanbod waarbij het kind maximale ontplooiing- en ontwikkelingskansen krijgt. Welbevinden en betrokkenheid staan hierbij centraal:

  • Hoe voelt uw kind zich in de klas?
  • Wat is de algemene indruk van uw kind? Waar liggen zijn/haar interesses en hoe verhoudt het zich tot de andere kinderen?
  • Welke stappen zet uw kind in zijn/haar ontwikkeling?
  • Is uw kind schoolrijp om naar de lagere school te gaan?
  • Welke acties ondernemen we als school?

Kleuters maken echter ontwikkelsprongen op verschillende domeinen. Die sprongen komen voor iedere kleuter op een eigen moment. Daarom hanteren we geen strak evaluatiesysteem maar brengen we de evolutie van het kind driemaandelijks in kaart, aan de hand van een kleutervolgsysteem en observaties. Deze ontwikkelingen worden dan besproken tijdens de zorg- en oudercontactmomenten.

Een goede evaluatie overstijgt het louter verzamelen van gegevens. Onderstaande evaluatiegegevens zijn, naast gegevens voor rapportering, vooral een belangrijke bron om de onderwijsaanpak af te stemmen op de noden van de kleuter. Hierbij is het bepalen van de pedagogisch-didactische aanpak zeer belangrijk.

Bespreken van de observaties

Observaties worden besproken tijdens een formeel overlegmoment met collega, zorgleerkracht, zorgcoördinator, directeur en CLB-medewerker.

Genormeerde testen op kleuterniveau

Naast de observaties proberen we ook aan de hand van genormeerde testen na te gaan waar kleuters zich in hun ontwikkelingsproces bevinden. Een kanttekening die we hierbij willen maken is dat we ons bewust zijn dat een testafname bij jonge kinderen nog onbetrouwbaar kan zijn en dat hun resultaten nog erg wisselend kunnen zijn. Het is een momentopname. We interpreteren de resultaten dus altijd samen met de brede observaties over de kleuter.

In ons kindvolgsysteem worden de vorderingen op de verschillende testen bijgehouden. Vanuit deze testresultaten in combinatie met de brede observaties wordt er bepaald welke stappen we verder

ondernemen voor een bepaalde kleuter. Dit wordt besproken tijdens het zorgoverleg samen met de zorgcoördinator, directeur en eventueel het CLB-anker.

Testen die we in de kleuterschool afnemen:

  • Rekenbegriptest (Dudal) (begin 3de kleuterklas)
  • Schoolrijpheidstest met concreet materiaal, gebaseerd op de ‘Toetertest’ (eind 3de kleuterklas)

Kleuterscreening

Drie keer per jaar geven de leerkrachten elke kleuter kleurenscores (groen, oranje, rood) op de verschillende ontwikkelvelden en op welbevinden en betrokkenheid. Kleuters met oranje en rode scores worden verder intenser opgevolgd en begeleid.

Lagere school

Alle leerlingen krijgen op regelmatige basis een rapport. Zowel de attitudes als de leerinhouden worden geëvalueerd. De ouders tekenen het rapport voor kennisname.

Er zijn zes rapportperiodes:

  • september- oktober
  • november- december
  • januari- februari
  • maart
  • april- mei
  • juni

Attituderapport

De leerlingen van de lagere school krijgen drie keer per jaar (einde van een trimester) een attituderapport. Verschillende vaardigheden en houdingen van de individuele leerling worden dan belicht. Dit rapport wordt ondertekend door de leerkracht en de ouders.

Twee keer per schooljaar (kerst en oudercontact mei) ontvangen de leerlingen een rapport voor bewegingsopvoeding.

Rapport voor leerlingen binnen een aangepast curriculum

Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften voor wie het gemeenschappelijk curriculum (tijdelijk) niet haalbaar is, volgen een aangepast traject met aangepaste doelen. Deze groep leerlingen krijgt een aangepast rapport waarop de leerling-eigen doelstellingen geëvalueerd worden.

Periodieke genormeerde toetsen

Met deze toetsen wordt nagegaan of de leerlingen vorderen zoals verwacht. De evolutie van elke leerling wordt hiermee in kaart gebracht. De resultaten worden vergeleken met eerder afgenomen testen. De resultaten kunnen ook vergeleken worden met medeleerlingen van de school en met de normgroep. Op die manier kan worden nagegaan of een leerling een hoog, gemiddeld of zwak niveau behaalt. Ook op klasniveau wordt bekeken of de groep een hoge, gemiddelde  of zwakke score behaalt. Indien nodig worden acties op klasniveau ondernomen. De testen geven ook een beeld van het schoolniveau. We stellen vast hoe de leerlingengroep evolueert in de tijd en bekijken of de werking moet aangepast worden.

Testresultaten worden bijgehouden in Iomniwize.  

Testen die we in de lagere school afnemen:

AVI – technisch lezen

De AVI-toetskaarten zijn een onderdeel van het leerling- en onderwijsvolgsysteem (LVOS) Technisch Lezen. Individuele testen worden afgenomen door de zorgleerkracht.  

Er zijn 12 leesniveaus: START – M3 – E3 – M4 – E4 – M5 – E5 – M6 – E6 – M7 – E7- PLUS . M3 komt overeen met midden eerste leerjaar, E7 wordt normaal bereikt op het einde van het vijfde leerjaar. ‘M’ en ‘E’ staan voor ‘midden’ en ‘einde’ schooljaar. Het cijfer komt overeen met de klasgroepen in het Nederlandse onderwijssysteem. Zo is groep 3 in Nederland vergelijkbaar met ons eerste leerjaar, groep 7 staat gelijk aan het vijfde leerjaar. Uiterlijk in het zesde leerjaar behalen de leerlingen het leesniveau ‘plus’.

LVS – Spelling en Wiskunde

Dit leerlingvolgsysteem werd ontwikkeld door de Vrije-CLB-koepel vzw, de koepelorganisatie van de Vrije Centra voor leerlingenbegeleiding. Met deze signaleringstoetsen worden de leerlingen gevolgd bij hun voortgang in de belangrijkste leerstofdomeinen: lezen, spelling en wiskunde. Wij hanteren op onze school de onderdelen wiskunde en spelling. De testresultaten geven een duidelijk beeld van de klasgroep en worden vergeleken met de normgroep aan de hand van percentielen en zones. De toetsen worden afgenomen door de klasleerkracht.

SALTO

SALTO staat voor ‘Screeningsintrument Aanvang Lager Onderwijs Taalvaardigheid’. Met deze test peilen we naar de taalvaardigheid Nederlands van de leerlingen bij de start van het eerste leerjaar.

Er wordt nagegaan of leerlingen voldoende taalvaardig zijn om eenvoudige instructies, vragen en mededelingen te begrijpen. Uit de resultaten blijkt welke leerlingen extra ondersteuning nodig hebben voor taalvaardigheid. De school kan de resultaten ook aanwenden om haar taalbeleid verder mee te ontwikkelen.

Interdiocesane Proeven (IPD-proeven)

Initieel gingen de Interdiocesane proeven enkel over de leergebieden wiskunde en Nederlands maar de vakgebieden werden ondertussen uitgebreid. Deze testen worden afgenomen in het vierde en zesde leerjaar en bieden evaluatie voor zes leergebieden aan: Frans, Mens & maatschappij, muzische vorming, Nederlands, Wetenschappen en techniek en wiskunde. De proeven worden online afgenomen. Er worden jaarlijks drie deelgebieden geëvalueerd. De resultaten worden samengevat in toegankelijke en bruikbare rapporten. Zo kunnen scholen aan interne kwaliteitsontwikkeling doen. Een deelnemende school kan afleiden hoe ze scoort in vergelijking met scholen met een soortgelijke leerlingenpopulatie, met Vlaanderen en de referentiegroep. Leerlingen worden breed geëvalueerd. Het is een waardevolle aanvulling bij alle andere bevindingen over een leerling.

Andere onderzoeken

Door deelname aan onderbouwde onderzoeken en enquêtes bewaken we ons maatschappelijk engagement en onze onderwijskwaliteit. Het geeft ons de ruimte om te evalueren en bij te sturen.

Welbevinden en betrokkenheid wordt gemeten aan de hand van sociogrammen die worden afgenomen in het vierde, vijfde en zesde leerjaar.

Scroll naar top